Moll: “Kanttekeningen bij het Indië-onderzoek”

OPINIE (28 oktober 2020) – Het dekolonisatie-onderzoek zoals dat zijn neerslag lijkt te krijgen is té eenzijdig en vertegenwoordigt nu primair een ideologische mening.

Oktober is de maand van de geschiedenis en dit jaar is het thema Oost-West. In het kader van dit thema past het om kanttekeningen te zetten bij het lopende dekolonisatie-onderzoek. Er komt namelijk een nieuwe geschiedschrijving over de periode 1945-1950 in Nederlands-Indië op ons af, en die nieuwe geschiedenis zal de komende decennia bepalend zijn voor ons zelfbeeld als natie.

Dat onderzoek loopt onder de titel: ‘Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950’. Drie gerenommeerde instituten werken samen: het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies.

Op grond van de bevindingen van dat gezamenlijke onderzoek zal een publieksboek worden samengesteld. Het boek, dat in de loop van 2021-22 af moet zijn, zal gelden als het laatste wetenschappelijke woord over dit onderwerp en zal de basis gaan vormen voor het onderwijs over de dekolonisatie.

Natuurlijk is het toe te juichen dat naar de bloedige kanten van de dekolonisatie wordt gekeken. Rawagede of de Zuid-Celebes affaire met kapitein Westerling zijn in kleine kring bekend als voorbeelden van excessief geweld. Ik laat hier even in het midden hoe ik over deze zaken denk, maar onderzoek naar echte of vermeende oorlogsmisdaden zijn altijd toe te juichen.

Zo’n onderzoek moet dan wel onbevooroordeeld en met gepaste wetenschappelijke distantie worden verricht. Daar begint mijn vrees. De aanzet tot het dekolonisatie-onderzoek is namelijk het proefschrift geweest van Rémy Limpach: ‘De brandende kampongs van generaal Spoor’.

Generaal Simon Hendrik Spoor was de Nederlandse bevelhebber van de strijdkrachten in Nederlands-Indië ten tijde van de dekolonisatie. Kampongs zijn kleine plattelandsdorpen of stedelijke achterbuurten waarin de meerderheid van de inheemse bevolking leeft of leefde. Op het platteland zijn de kamponghuisjes van bamboe en palmbladeren opgetrokken.

Spoor is volgens de titel van Limpachs boek verantwoordelijk voor het in brand steken van die kampongs. Stilzwijgend is hij dus schuldig aan een oorlogsmisdaad. Wie een overzicht bekijkt van reeds afgeronde onderzoeken ziet dat dat ook de teneur is van het dekolonisatie-onderzoek: Nederland is schuldig aan oorlogsmisdaden.

Wat opvalt is dat één gedachte momenteel leidend is: Nederland stuurde strijdkrachten naar Indië om de vooroorlogse, koloniale verhoudingen te herstellen. Nederlandse troepen kregen te horen dat zij orde en rust in de archipel moesten herstellen, maar dat was Haagse propaganda. Zij moesten het onafhankelijkheidsstreven van de Indonesiërs onderdrukken.

Daar moeten we even bij stilstaan. Want wie deze stelling serieus neemt, zegt eigenlijk: de militairen die in Indië hebben gevochten, zijn door hogerhand bedot. Die militairen dachten dat zij moesten voorkomen dat burgers werden ontvoerd, gemarteld en gedood. Maar in werkelijkheid moesten zij de vooroorlogse (Indisch)-Nederlandse elite weer in het zadel helpen. Dat is in feite de regering in Den Haag ervan beschuldigen dat zij de Nederlandse militairen hebben opgelicht. Voor die beschuldiging zou je bewijzen moeten aandragen.

Een enkeling is bereid te erkennen dat er voorafgaand aan de opbouw van de troepenmacht sprake was van onrust en wanorde in de archipel. ‘Onrust en wanorde’ zijn een eufemistische omschrijving van een orgie van verkrachtingen en massaslachtingen – met bamboesperen en kapmessen – onder (Indische) Nederlanders, Chinezen, Molukkers en van sympathie met Nederland verdachte Indonesiërs.

Deze periode staat bekend als de Bersiap – Maleis voor ‘wees paraat’ (voor de vrijheidsstrijd). Het was een ware pogrom van inheemse milities en criminele bendes gericht tegen de running dogs van Nederland en de Nederland-minnende Indonesiërs.

Het Nederlandse publiek is nauwelijks bekend met deze periode. Dat is merkwaardig als we naar de aard, maar ook naar de omvang van die pogroms kijken. Schattingen van het aantal doden lopen in de tienduizenden. Nemen wij alleen de slachtoffers onder de (Indische) Nederlanders dan is de ondergrens (Niod) 5.500 van de circa 300.000 in Indië levende landgenoten. Omgerekend zou dat in de Nederlandse situatie van 1945 komen op een slachtofferaantal van circa 180.000 mensen.

Het is moeilijk voorstelbaar dat een zo grote, demografische aderlating in Nederland buiten de geschiedenisboeken zou zijn gebleven. De Bersiap komt in het huidige onderwijsmateriaal echter niet voor.

Als straks het dekolonisatie-onderzoek een publieksboek heeft gebaard, zullen zeker de wandaden van het Nederlandse leger breed worden uitgemeten, maar – zo vrezen wij – niet of nauwelijks de wandaden gepleegd door Indonesische zijde. Slechts enkele onderzoekers nemen het hoofdstuk Bersiap voor hun rekening en het is zeer de vraag of zij een oorzakelijk verband zullen schetsen tussen die woelingen en de Nederlandse, militaire acties.

Wanneer, zoals wij vrezen, de Bersiap onderbelicht blijft, blijft in feite het optreden van de Nederlandse militairen in Indië even onbegrijpelijk als verwerpelijk. Dan is de dekolonisatieperiode het sluitstuk van het deplorabele tijdperk van het kolonialisme. Dan heeft Nederland inderdaad definitief niets groots verricht in Insulinde en is er nog meer glans afgepoetst van de Nederlandse geschiedenis.

Dat is de geschiedenis die op ons afkomt. Als we ons dat laten aanpraten tenminste.

Hans Moll, voorzitter Federatie Indische Nederlanders (FIN)

Bron: Veren of Lood

Tags: BersiapIndië-onderzoekRémy Limpach.