Van Reybrouck verzwijgt Bersiap

DEN HAAG (27 januari 2021) – De Bersiap wordt grotendeels verzwegen in de driedelige NTR-serie ‘Revolutie in Indonesië’. Dat concludeert Federatie Indische Nederlanders (FIN) na bestudering van de beelden. Voorzitter Hans Moll spreekt van een “pijnlijke misser”. FIN verruimt daarom de eerder afgegeven kijkwijzer.

In de documentaire over de totstandkoming van het laatste boek van de Belgische schrijver David van Reybrouck wordt de Bersiap kort aangestipt, terwijl dit Indonesische geweld juist allesbepalend was voor het verdere verloop van de dekolonisatie van voormalig Nederlands-Indië. Wat er tijdens de Bersiap is gebeurd en hoeveel slachtoffers daarbij zijn gevallen laten Van Reybrouck en de NTR zelfs geheel onbenoemd. Daarmee worden argeloze kijkers op het verkeerde been gezet. “In het toch al vijandige klimaat rond ons koloniale verleden – waaraan Van Reybrouck bijdraagt – wordt de aandacht telkens gericht op Nederlandse oorlogsmisdaden, terwijl de Indonesische misdaden uit de Bersiap in voetnoten worden weggemoffeld. Dit is je reinste geschiedvervalsing” aldus Moll.

Bersiap is Maleis voor “Wees paraat” of “Geef acht!”. Het is de strijdkreet van Indonesische organisaties en bendes, die vrijwel direct na de capitulatie van Japan dood en verderf zaaiden onder met name niet-Indonesiërs in voormalig Nederlands-Indië. Gedurende deze uiterst gewelddadige periode zijn duizenden (Indische) Nederlanders op gruwelijke wijze gemarteld, verkracht en vermoord door Indonesiërs, vanwege hun Nederlandse c.q. Europese etniciteit. Het exacte aantal Nederlandse slachtoffers is tot op heden onduidelijk. De schattingen variëren tussen de 5.000 en 30.000 doden en 15.000 vermisten. Het was tegen deze gewelddadige achtergrond dat de regering in 1947 besloot om de Nederlandse Krijgsmacht grootschalig in te zetten in voormalig Nederlands-Indië.

Het zijn voor Van Reybrouck kennelijk onwelgevallige feiten waarvan de kijker slechts minimaal kennis mag nemen. Het is niet de eerste keer dat de activiteiten van de schrijver voor wrevel zorgen. Eerdere opmerkingen van de Belg, dat Indische Nederlanders “de huidige Nederlandse blik op de geschiedenis van Indonesië” zouden bepalen, zorgden al voor de nodige verbazing. Veel Indische Nederlanders hebben bovendien, als er al een luisterend oor was, nooit over de verschrikkingen uit de oorlog kunnen en/of willen praten. Volgens Van Reybrouck wil hij met zijn werk het perspectief over de dekolonisatie doen “kantelen”. Dat doel komt, tezamen met zijn podium aan Japanse en Indonesische oorlogsmisdadigers, in een wel heel dubieus daglicht te staan.

Update 5 februari 2021 10:20:
In een reactie laat David van Reybrouck weten te begrijpen dat sommige kijkers teleurgesteld zijn “over de wijze waarop de revolutie in de tweede aflevering van de serie werd verbeeld”. Toch vindt Van Reybrouck de kritiek op zijn persoon “wat vreemd”, omdat hij niet verantwoordelijk zou zijn voor de documentaire. Volgens Van Reybrouck besteed hij in zijn boek ruim aandacht aan de Bersiap.

Tags: BersiapDavid van Reybrouck.

34 gedachten over “Van Reybrouck verzwijgt Bersiap”

  1. Op alle documentaires, blijft de waarheid onder belicht en altijd ten koste van Jan Soldaat. Die worden gemakshalve, sowieso als oorlogsmisdadigers neergezet. Dat is makkelijk, want wie kan het ware verhaal nog vertellen en degene die nog in leven zijn, hebben zolang gezwegen, dat nu nog spreken vele oude wonden open maakt. Als je de propaganda filmpjes uit 1945 ziet, om vrijwilligers te ronselen om naar NI te gaan….. het leek wel of ze naar het Paradijs gingen i.p.v. een guerilla oorlog. Die jongens moesten de orde handhaven én de burgerbevolking beschermen, het woord oorlog mocht niet genoemd worden. Dat hebben ze daar in Den Haag, al die tijd volgehouden tot aan de dag van vandaag worden ze Politionele Acties genoemd. En zo werden zij soldaat tegen wil en dank en moesten zij de strijd aanbinden met een vijand die geweldig door de Jappen opgeleid waren in moorden, martelen en verkrachten. Het feit dat al die mensen opgesloten moesten blijven in die kampen, geeft toch wel aan dat het daarbuiten niet veilig was, integendeel! Mij verhaal wordt te lang, maar het onrecht aan onze jongens daar, toendertijd, maakt mij heel boos en verdrietig. Ook mijn vader is daar 2 jaar geweest.

  2. Wat een laffe reactie van Van Reybrouck. Zogenaamd geen verantwoordelijkheid voor de documentaire waarin alles toch echt om deze Belg draait. En dat nadat er ophef over ontstaat. De hypocriet

  3. Het boek en de serie zijn werkelijk van een abominabel niveau. Waarom wordt dit dan toch zo opgehemeld? Al die zogenaamde Indische organisaties die met deze hork van een Van Reybrouck weglopen moeten zich schamen. Voor een appel en een ei zouden ze hun moeder nog verkopen.

  4. Het is het eerste wat mij opviel, het verzwijgen of het (zogenaamd) vergeten van die Bersiap periode. Eigenlijk kan dit niet!! Je struikelt over die wandaden van de Pemoeda’s. Sterker nog, het geweld, door opzwepende oproepen van Soekarno om iedereen te doden die maar 1 druppel Nederlands bloed had werd zo excessief dat hij er zelf van geschrokken is en tegen zijn nationalisten zei dat ze het geweld moesten temperen. De geest was uit de fles en het gevolg was de politionele actie. Dat kan Van Reybrouck niet ontgaan zijn, dus is verzwijgen/geschiedsvervalsing!!!

    Verder ben ik benieuwd wat jullie als lezer vinden van het volgende. Graag hoor ik jullie ideeën erover en gedachten:
    Een heikel punt, wat je nooit meer kan veranderen en wat weinig aandacht krijgt in het algemeen en in Revolusi. Toen Soekarno het bevel overdroeg aan Soeharto was er duidelijk wat druk op hem uitgeoefend. Dat kan je zien in het film-fragment van de machtsoverdracht dat Soekarno, ik dacht in 1967(in woorden van gelijke strekking zei): “Ik draag het bevel over aan…. hoe heet die man ook alweer…. Oh ja, Soeharto”. Hoe is het mogelijk dat van al die diverse nationalistische groepen, Soekarno eenzijdig met Hatta in 1945 de republiek kon uitroepen. Dat kan in de praktijk iedere rechtspersoon wel doen, maar dat geeft je nog geen macht of gezag. Al die andere groepen werden dus buiten spel gezet, onder geallieerd gezag!! Voor mij is het nog steeds onbegrijpelijk dat niemand van die geallieerden ‘die stekker uit de microfoon heeft getrokken’. Wat een ellende heeft dat allemaal veroorzaakt. Verder de term Revolusi. De krachtterm destijds was ‘Merdeka’. Het woord Revolusi ben ik (zonder te wikken en te wegen) eigenlijk nergens tegengekomen. De kernwoorden waren dus ‘Merdeka en Bersiap’. Tot slot, het eerste gesprek met Matthijs van Nieuwkerk vond ik heel mager, ook de commentaren van de gasten, mager, eenzijdig en daardoor niet goed. Klèmtonen kregen andere waarden in spraak, typisch verhaal over Boven Digoel en de kennis van de geografie in het algemeen. De ene misser op de andere. Hoe kan het anders door een pur sang Nederlander en pur sang Belg. Wat weten zij van de werkelijke gevoelens, relaties, keuzes, ellende, opgetekend door hier en daar individuele gesprekken met een enkeling, een enkele Jap, de bevoordeelde Dewih, een enkele Guhrka, een enkele inlander en ga zo maar door. Enkele zwaluwen maken nog geen zomer. Ik ga het wel lezen, maar ik weet nu al dat ik veel missers zal tegenkomen.

    1. Hans Zevenbergen; Hoe is het mogelijk dat van al die diverse nationalistische groepen, Soekarno eenzijdig met Hatta in 1945 de republiek kon uitroepen.

      In Jalan Pegangsaan Timur bij Gedung Proklamasi werd op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheidsverklaring voorgelezen door Soekarno. De beschouwing van de datum ’17 augustus 1945′ deed Nederland ‘de facto’ (in de praktijk), en zeker niet ‘de jure’ (formeel). (Bron: Wikipedia) Op 17 augustus 1945 riep Soekarno eenzijdig de onafhankelijkheid uit. Dat is veroorloofd volgens de regeling van de National Liberation Movement (NLM). Toentertijd werd dit aangegeven met het woord: de facto. Volgens deze internationale regeling is er binnen een staat een zelf uitgeroepen staat ontstaan, die zich echter dient te houden aan de voorwaarden. Het gaat om de ‘staat’ Indonesië die vanaf die datum verantwoordelijk was voor alle op dat grondgebied wonende burgers. Of het nou gewone dieven waren of bersiapmisdadigers. En dat heeft die ‘staat’ (bewust!) nagelaten. Waar waren in Soerabaja op 28 oktober 1945, bijvoorbeeld de Indonesische gezagshandhavers, politie en leger, toen de inzittenden en begeleiders van het laatste Goebengtransport werden vermoord? En vele andere gebeurtenissen. Omdat Nederlands-Indie in die tijd nog behoorde tot het Koninkrijk der Nederlanden (bestaande uit gebiedsdelen Nederlands-Indie, Suriname, Curacao, ook Nederland was een gebiedsdeel). had Nederland de plicht een ander gebiedsdeel te hulp te schieten om rust en orde terug te brengen. (Bron: J.A. Somers). Als dat met veel geweld is gebeurd (een 4-jarig onderzoek is nog gaande), dan zijn de excuses van Nederland terecht.

    2. Misschien is het eerst beter om het boek te lezen en dan pas een mening te vormen. De documentaire moet gezien worden als een aanvulling en hoe het boek tot stand is gekomen. Een prima boek overigens. Het geeft de situatie van meerdere kanten goed weer.

    3. Precies zoals u zegt: “De documentaire moet gezien worden als een aanvulling en hoe het boek tot stand is gekomen”. Hoe laag kan je zinken om over zo’n gevoelige periode een “documentaire” te maken, dat de facto slechts goedkoop verkoopmateriaal van een boek betreft. Wie dat boek vervolgens koopt en leest komt ook bedrogen uit door de schokkende vooringenomenheid en onvolledigheid. Wat dat betreft is de “docu” wel een goede graadmeter voor het niveau van het boek.

  5. Deze serie over “het laatste boek” van Van Reybrouck is louter bedoeld als promotie van dat boek. Valt dat wel onder de taak van de publieke omroep? Ik dacht het niet. Nu gaat dat ook nog eens over de ruggen van onze slachtoffers. Is het geen idee als FIN een kort geding start tegen de NTR en Van Reybrouck?

  6. Van Reybrouck: “… dat Indische Nederlanders “de huidige Nederlandse blik op de geschiedenis van Indonesië” zouden bepalen,… Hoezo? Hun verhaal is veelal onbekend gebleven.
    “De Indische geschiedenis laat zien dat er verschillende perspectieven bestaan op de dekolonisatie. Het Nederlands, Indonesisch en Indisch-Nederlands als hoofdperspectieven. Een perspectief kan eenzijdig worden gebracht. De gebeurtenis die vanuit het Indisch-Nederlands perspectief b.v. wordt beschreven, wordt alleen vanuit dat perspectief behandeld. Het komt niet in het Indonesisch perspectief voor, terwijl er een duidelijke rol is weggelegd voor de pemoeda’s. Dat het niet behandeld wordt vanuit het Indonesische perspectief kan worden verklaard doordat perspectieven van groepen die geen problemen hebben veroorzaakt voor de elite of dominante groep waar de geschiedenis meestal over gaat, vaak genegeerd wordt. Die dominante groepen zijn tijdens de dekolonisatieperiode de Nederlanders en de Indonesiers. Als dominante groep hebben de Indische Nederlanders geen problemen veroorzaakt tijdens de dekolonisatieperiode, op hun aanwezigheid die niet gewenst was na. Een uitzondering hierop zijn de Indische Nederlanders die wellicht meevochten aan de Nederlandse kant, maar zij werden vanuit het Indonesisch perspectief waarschijnlijk beschouwd als de Nederlandse aanwezigheid die weg moest. Het was dus de Nederlanders die voor problemen zorgden. Voor de Nederlanders als dominante groep hebben de Indische Nederlanders ook geen problemen veroorzaakt: ze stonden aan hun kant. Daarnaast zaten de Nederlanders eerst in kampen, waardoor ze niet eens wisten wat de Indische Nederlanders ervoeren. De Indische Nederlanders vielen dus tussen wal en schip, maar hebben ontzettend geleden. Dit verklaart ook waarom hun verhaal veelal onbekend is gebleven.”

    (Bron: Merdeka, Bersiap of politionele acties?, masterscriptie door Robin Hoogendoorn, 2018 (Univ. Utrecht)

    1. Het is nogal een gekunsteld onderscheid dat Robin Hoogendoorn in zijn masterscriptie maakt. Waarom Indische Nederlanders van ‘Nederlanders’ worden onderscheiden duizelt mij. Kennelijk huldigt de heer Hoogendoorn de mening dat Nederlanders niet gemixt (kunnen) zijn? Dat vind ik een vrij racistische suggestie en vrij gewaagd in een tijd waarin ook mensen die geen Nederlandse achtergrond hebben voor Nederlander moeten doorgaan. Feit blijft dat Indische Nederlanders altijd Nederlanders waren. Ook in voormalig Nederlands-Indië. Dat is vanwege hun Europese afkomst en niet door het feit dat zij door de Indonesiërs als Nederlanders worden beschouwd of doordat zij aan de Nederlandse kant stonden. Dat iemand zulke ideeën in een academische scriptie kan vervatten en daar vervolgens ook op afstudeert geeft wel aan hoe erbarmelijk het met kennis over onze vaderlandse geschiedenis is gesteld.

      1. R. de Bruijn: “Het is nogal een gekunsteld onderscheid dat Robin Hoogendoorn in zijn masterscriptie maakt. Waarom Indische Nederlanders van ‘Nederlanders’ worden onderscheiden duizelt mij.”

        “De europesche maatschappy in Nederlandsch Indien is vry scherp in twee deelen gesplitst: de eigenlyke Europeanen, en dezulken die – hoezeer wettelyk in geheel dezelfden rechtstoestand verkeerende – niet in Europa geboren zyn, en min of meer inlandsch bloed in de aderen hebben.” (Uit: Multatuli, Max Havelaar, 1860).

        Multatuli (E. Douwes Dekker) bespeurde in Indie reeds een scherp maatschappelijk onderscheid tussen de zogeheten ‘eigenlyke Europeanen’ (een zeer ruime categorie voor iedereen die een louter Europese afkomst wist te claimen) en Indo-Europeanen. “Een opmerkelijk onderscheid, omdat zij voor de wet gelijk waren en tezamen de koloniserende bevolkingsgroep vormden. Kennelijk genoten zij in de sociale omgang een andere status en werd er een wereld van verschil tussen beide ervaren.” Hierbij werden later onder invloed van allerlei wetenschappelijke ideeen over ‘ras’ en ‘rasvermenging’ in de negentiende eeuw de eigenlyke Europeanen en Indo-Europeanen in toenemende mate als twee verschillende bevolkingsgroepen gepercipieerd: de eersten werden gezien als raszuiver, omdat zij louter Europese wortels zouden hebben; de tweeden als gemengd, omdat zij zowel westerse als oosterse voorouders hadden. (Bron: scriptie Warm bloed van Petra Boudewijn (2016).

        1. Wat men telkens weer vergeet is dat Max Havelaar een fictie boek betreft. Bantam kenmerkt zich historisch gezien niet als de boegbeeld van kolonisatie of uitbuiting, maar als de hoofdstad van de Islamitisch religieuze wereld. Bantam was hofleveranciers van Imams in Arabië en gold als de belangrijkste theologische hoofdstad van de Islamieten. Kolonisatie in de Indische Archipel is begonnen met de Islam en de ARABISCHE (dus niet de Indische) leiders die de macht grepen zoals o.a. in Malaya. Vanuit Bantam is de boel geïslamiseerd en daarmee de inheemse cultuur uitgewassen en de archipel versnipperd, tot dat de Nederlanders kwamen, de eilandengroep verenigden en de identiteit van de inlanders terug gaven. Als dank voor alle weldaden waar de bevolking vandaag de dag nog profijt van heeft kregen wij de Bersiap. Tot de dag van vandaag zijn de geesten van de inlanders gekoloniseerd met het vergif van het Islamitische geloof, en is dat restje Hindoe-Boeddhisme vandaag nog wel geteld 0.3% terwijl de politieke islam en jihadisme nog altijd aanwezig zijn, zoals dat ook was in Nederlands-Indië. De kapitale fout van de Nederlanders was het gunnen van de vrijheid van godsdienst.

      2. Het blijft een gekunsteld onderscheid. Ook wat activist en schrijver Multatuli doet. Het klopt dat er sprake was van een onderscheid tussen enerzijds Europeanen (waaronder de Indo-Europeanen) en anderzijds de Inlanders. Een belangrijke derde groep wordt overigens niet vermeld: de vreemde Oosterlingen. Zoals Ellen terecht opmerkt waren Indo’s op grond van de wet volstrekt gelijkwaardig aan andere Europeanen. Dat dit in de praktijk zo nu en dan toch anders uitpakte is van alle tijden. De vraag is echter op welke schaal dit onderscheid in Indië werd gemaakt. De praktijk wijst gelukkig uit dat maar weinig Indo’s zich een achtergestelde positie lieten aanleunen. Zij maakten immers deel uit van de maatschappelijke bovenlaag en vervulde topfuncties in de publieke- en private sector. Ik heb daarom de indruk dat dit onderscheid vooral zo’n 80 jaar na dato populair is, maar weinig met het echte leven in Indië te maken heeft.

      3. R, de Bruijn: “Het blijft een gekunsteld onderscheid.”

        Het is wel ingewikkeld. De Nederlandse wetgever kwam in 1926 met artikel 163 IS (Indische Staatsregeling), waarin het ging om groepen voor zover onderworpen aan wettelijke regelingen voor Europeanen, aan die voor Inlanders, en aan die voor Vreemde Oosterlingen. Het ging in dit artikel om aanpassing van de rechtstoestand bijvoorbeeld in het bestuur, de rechtspraak en het belastingwezen te verkrijgen aan de onderling verschillende rechtsbehoeften der bevolkingsgroepen. De wettelijke indeling had tot doel degenen die ongeveer dezelfde rechtsbehoeften hadden in een grote groep samen te brengen. Dat je Indo was, was niet relevant, je viel gewoon onder de rechtsregels voor Europeanen. En mensen uit andere groepen konden vrijwillig opteren voor het onderbrengen in die groep. Dit artikel geldt tot aan het einde van de koloniale periode.

        Dat de discriminatie (standen, racisme) langzaam insloop in de Indische samenleving is een ander verhaal. Dat was niet de opzet van de Nederlandse wetgever.

        (Bron: indoloog Jan A. Somers).

      4. Het zijn nogal bedenkelijke bronnen en passages die u aanhaalt. Deze ook weer: “Dat je Indo was, was niet relevant, je viel gewoon onder de rechtsregels voor Europeanen”, dat u toeschrijft aan Indoloog J. Somers. Een zeer merkwaardige passage. Een Indo is immers een Indo-Europeaan. Natuurlijk vielen zij onder de rechtsregels voor Europeanen. Waar zouden zij anders onder moeten vallen? Wat suggereert u hier eigenlijk? Het is mij geheel onduidelijk welk punt u probeert te maken.

      5. J.A. Somers stelt dat art. 163 IS er was of je voldeed aan de voor deze bevolkingsgroep geldende regels. Was je erkend door je Europese vader bijvoorbeeld. Of was je van Europese afkomst maar niet erkend? Voor Europeanen die zich hadden opgelost in de Inlandse bevolking, was de Indische samenleving toentertijd strikt anders.: Uitgestoten! Het probleem was dat deze wet zelf niet aangaf wie Europeaan, Inlander of Vreemde Oosterling was. En deze probleemstelling was op zich ook al niet relevant; het ging er bijvoorbeeld niet om òf je Europeaan was, maar of de voor Europeanen geldende regels ook voor jou golden.

    2. “Of was je van Europese afkomst maar niet erkend?” geeft Indo-Europeaan wel een zeer enge invulling van het concept Indo-Europeaan, namelijk een waarin slechts de afkomst telt. Ik neem daar nadrukkelijk afstand van. Zoals de praktijk in voormalig Nederlands-Indië aantoont en de wetgeving uit die tijd ook bevestigd omvat Indo-Europeaan veel meer dan dat. Ook geschiedenis, taal, cultuur, identiteit, religie etc tellen mee. ‘(Indo-)Europeanen’ die “zich hadden opgelost in de Inlandse bevolking”, zoals u schrijft, missen precies die componenten. Ze spreken een andere taal, hebben een andere cultuur en identiteit en soms belijden ze ook nog een andere religie. Het is meer dan logisch dat zij toen niet tot de Europeanen werden gerekend. Afgaande op wat er tegenwoordig op de pasars afkomt hadden ze dat mij betreft ook wat secuurder mogen aanpakken.

      1. R, de Bruijn: “… geeft de Indo-Europeaan wel een zeer enge invulling van het concept Indo-Europeaan etc.”

        Natuurlijk waren – behalve afkomst – geschiedenis, taal, cultuur etc. van belang voor de Indo-Europeaan, maar alleen daarmee schoot je in de Indische samenleving niet veel op. Van veel meer belang was de rechtspositie.
        In die maatschappij werd het belangrijk gevonden onder dezelfde soort mensen (van rechtspositie) te verkeren.
        Het was mogelijk voor Inlanders en de met hen gelijkgestelden (Vreemde Oosterlingen) om hun rechtspositie te verbeteren (meer kansen in de samenleving) door over te gaan naar de rechtspositie van de met Europeanen gelijkgestelden. Een dergelijke wijziging van rechtspositie werd gelijkstelling genoemd en verleend door de Gouverneur-Generaal. Gelijkstelling werd o.a. aangevraagd door personen die waren geboren uit relaties van Europese mannen met Inlandse vrouwen, maar die niet op wettige wijze door de vader waren erkend. Zonder een wettige erkenning waren zij juridisch Inlanders, ook al leefden zij in Nederlands-Indie als Europeanen. Om gelijkgesteld te kunnen worden moest aan bepaalde vereisten worden voldaan. Aan de verzoeker werd bijvoorbeeld gevraagd of hij christen was en of hij de Nederlandse taal goed kon spreken en schrijven. Indien de Gouverneur-Generaal en de Raad van Indie akkoord waren werd gelijkstelling met Europeanen verleend. Dat besluit werd gepubliceerd in het Staatsblad van Nederlands-Indie, waardoor deze personen Staatsblad-Europeanen werden genoemd. Ook etnische Inlanders (zonder Europees bloed) konden een aanvraag doen met betrekking tot de Europese wetgeving. Het is geen gelijkstelling aan ….., maar “gelden voor hare toepassingen de navolgende regelen.” Zij blijven Inlander, maar kunnen gebruik maken van de wetgeving waaraan Europeanen zijn onderworpen. Daar werd veel gebruik van gemaakt.

        (Bron: De rechtspositie van de verschillende bevolkingsgroepen in Indie tot 1942. Geschreven door P. Tjiook-Liem. Uit: De Indische school.)

      2. Uw laatste reactie onderstreept precies mijn punt. U doet net alsof er een verschil is tussen hetgeen ik beweer en de praktijk uit voormalig Nederlands-Indië, maar dat is er niet. Europeanen die niet waren erkend konden een aanvraag doen om gelijkgesteld te worden en daarmee dezelfde rechtspositie als erkende Europeanen te genieten. Inlanders bleven Inlanders, maar konden wel opteren om onder hetzelfde rechtsregime te vallen als waaraan Europeanen onderworpen waren.

        Het onderscheid dat Robin Hoogendoorn in zijn masterscriptie maakt (namelijk Indische Nederlanders van ‘Nederlanders’ onderscheiden) blijft daarmee gekunsteld net zoals het onderscheid dat Multatuli maakt (tussen Europeanen en Indo-Europeanen). U mag dan wel allerlei – bedenkelijke – passages en parafrases aanhalen, het vormt in de verste verte geen ondersteuning voor het punt dat u denkt te maken.

        1. R. de Bruijn: “ondersteuning voor het punt dat u denkt te maken.”

          Er was wel degelijk een verschil tussen een etnische Inlander (zonder Europees bloed) en een niet-erkende Indo die wel Europees bloed bezat, maar juridisch een Inlander was, omdat hij niet erkend of gewettigd was. De laatste had het heel moeilijk in de Indische samenleving (standenmaatschappij), omdat hij niet onder het Europees recht viel. Er is niets gekunsteld aan dit verschijnsel. En ik heb een echt voorbeeld van in de familie. Mijn eigen opa aan moeders kant was niet erkend door zijn Friese vader. Ofschoon mijn opa er erg Europees uitzag en Europees leefde, was hij een Inlander. Omdat hij etnisch geen Inlander was, kon hij zelf stappen ondernemen naar het Nederlanderschap, zodat zijn maatschappelijke kansen in de koloniale samenleving beter kwamen te liggen. U begrijpt, dat het anders ligt bij de etnische Inlander. Die kon nooit opteren voor het Nederlanderschap of gelijkstelling, hoewel hij wel gebruik kon maken van de voorrechten van het Europees recht. In deze wilde deze groep b.v. toegang krijgen tot bepaalde voorzieningen die “normaal” alleen voor Europeanen open stonden zoals toegang tot pensioenvoorzieningen (ambtenaren) en toegang tot het onderwijs voor Europeanen.

  7. In totaal zegt Van Reybrouck een kleine 40 seconden iets over de Bersiap, in een documentaire van in totaal 151 minuten over de ‘dekolonisatie van voormalig Nederlands-Indië’. Hij komt er in de laatste uitzending ook niet meer op terug. Van Reybrouck besteedt dus minder dan 0,441501103 % van het totale materiaal aan de Bersiap. In die 40 seconden doet hij slechts suggesties en bezigt hij verbloemend taalgebruik, maar zegt hij niets over wat er tijdens de Bersiap is gebeurd, wie de daders waren, hoe de martel-, verkrachtings- en moordpartijen plaatsvonden, hoeveel slachtoffers daarbij zijn gevallen, dat Indonesië deze misdaden tegen de menselijkheid tot op de dag van vandaag ontkent, bagatelliseert en/of vergoelijkt, dat daarvoor nog nooit de Indonesische daders zijn opgespoord, vervolgd en/of berecht laat staan dat de Indonesische autoriteiten daarvoor spijt hebben betuigd of excuses hebben aangeboden. Het enige dat Van Reybrouck zegt is:

    1. na het interview met de Indonesische oorlogsmisdadiger Iskander, die op beeld toegeeft met bamboe roentjings te hebben gevochten, maar ook ontkent zelf ook maar iemand te hebben vermoord:
    “In Indonesië noemen ze deze periode de revolutie. In Nederland staat ze bekend als de Bersiap-periode, een gewelddadige uitbarsting van extreme elementen, die hun woede koelen op alles dat Europees is. Nederland wil daar tegen optreden maar is militair gesproken nog lam geslagen en kan dat zelf niet” en

    2. na het relaas van een Nepalese Ghurka over jappenkamp Ambarawa:
    “Dan, op een dag na 3 jaar ellende openen de Ghurka’s de poorten. Eindelijk verlossing. Maar die verlossing komt niet want buiten staan jeugdige Indonesische strijders, de pemoeda’s, met hun bamboewapens. Hun vulkaan van strijdlust woede en hoop ligt al jaren te borrelen. Ze denken nu vrij te zijn, de komst van het Brits-Indiase leger heeft de hitte nog hoger doen oplaaien, en dan komen tot hun ontzetting kort daarna ook Nederlandse militairen aan land”.

    Met deze minimale behandeling van de Bersiap door Van Reybrouck zakt de Belg pijnlijk door het ijs. Tezamen met de gretigheid waarmee Van Reybrouck wel Japanse en Indonesische oorlogsmisdadigers een uitgebreid podium verschaft, zonder deze dubieuze figuren ook maar één kritische vraag voor te leggen, evenals zijn bizarre bewering dat “de huidige Nederlandse blik op de geschiedenis van Indonesië” door Indische Nederlanders zouden worden bepaald en zijn uitgesproken missie het perspectief over de dekolonisatie te willen doen “kantelen”, geeft de handelwijze van Van Reybrouck een buitengewoon bedenkelijke bijsmaak.

  8. Herman Bussemaker schreef het al in zijn belangwekkende werk ‘Bersiap! Opstand in het paradijs. De Bersiap-periode op Java en Sumatra 1945-1946’: “De periode van de Bersiap bepaalde in hoge mate de identiteitsvorming van Indische Nederlanders en droeg bij aan hun massale terugkeer naar Nederland.” Ik begrijp de verontwaardiging van Indische Nederlanders op de docu over Van Reybrouck en diens ‘Revolusi’ daarom maar al te goed. Van Reybrouck speelt vooral de zwarte piet toe aan Nederland zonder, of met minimaal, oog te hebben voor de gruwelijke vreedheden die Indonesiërs onder het mom van revolutie hebben gepleegd. Samen met zijn eerdere opmerkingen dat Indische Nederlanders de geschiedschrijving met betrekking tot voormalig Nederlands-Indië ‘bepalen’ toont hij niet alleen aan weinig feeling en empathie te hebben met de materie die hij meent te beschrijven, maar ook dat hij de kennis die hij ongetwijfeld over het onderwerp bezit niet echt eigen heeft te maken. Want wie zegt de ‘Indonesische revolutie’ te beschrijven en te begrijpen, maar tegelijkertijd weinig tot geen aandacht besteed aan een – in ieder geval voor Nederland- uiterst cruciale episode, namelijk de Bersiap, illustreert ofwel zijn gebrek aan daadwerkelijk inzicht in hoe en waarom de dekolonisatie zo liep als die liep alsmede de behoefte om deze periode echt te doorgronden ofwel zijn diepe behoefte om de geschiedenis en trauma’s van Indische Nederlanders te veronachtzamen.

  9. Die serie is bedoeld om dat boek van Van Reybroek te promoten. Dat is nu wel duidelijk. Op de keper beschouwd is dat ook precies wat de heer Erents betoogd: ‘het klopt dat Van Reybroek in de serie eigenlijk niets zegt over de Bersiap, maar in zijn boek des te meer! Koop dat boek! Koop dat boek!’ Zit meneer Erents toevallig in het promotieteam van Van Reybroek?

  10. @Leon Algra: Zowel “De Oost” als “Revolutie in Indonesië” zijn geproduceerd door één en de zelfde maatschappij, namelijk New Amsterdam Film Company.

    Geschiedsvervalsing en identiteitspolitiek is hun missie:

    “New Amsterdam believes in the power of stories to change from the old to the new normal. To break down the existing barriers and together with you create something as potent and inviting in a mass media landscape, starting at the grassroots of our business.” — https://newams.com/about/

  11. In zijn boek Revolusi besteedt hij juist wel veel aandacht aan de Bersiap. Hij neemt zelfs volledig de visie van Bussemaker over dat het mogelijk zou gaan om 30.000 tot 80.000 slachtoffers. Een absurd hoog aantal. Zie bijvoorbeeld de artikelen in Pelita Nieuws, die ook overgenomen zijn door de Java Post. Kortom het gaat hier om stemmingmakerij. Hans Moll kent wel degelijk het boek ook. Dus waarom vertelt hij dat niet.

    1. Moll heeft het boek uitgebreid bestuurd en daar eerder ook een treffende recensie over geschreven:

      Revolusi interessant om wat er niet in staat
      DEN HAAG (20 december 2020) – Revolusi, het laatste werk van de Belgische cultuurhistoricus David van Reybrouck, kent vooral lovende recensies. Op Veren of Lood houdt Hans Moll, voorzitter van Federatie Indische Nederlanders (FIN), het boek voor het eerst echt kritisch tegen het licht. Zijn conclusie: Revolusi is vooral interessant om “wat er allemaal niet in staat”.

      Lees meer: http://www.federatie-indo.nl/20-12-20-02/

  12. Eerst moet gekeken worden naar wie/wat bedoeld wordt onder Indische Nederlander. Dit om tot begrip van de opmerking van de Belg te komen. Onder Indische Nederlanders wordt grofweg bedoeld de indeling van de Indo-Europeanen en de totoks.

    “Daar waar wellicht de term ‘Indische Nederlander’vooral werd gebezigd voor een persoon die tenminste enig Indisch bloed bezat, d.w.z. personen van gemengd Inlandse/Europese afkomst – en dat kwam meestal natuurlijk in zijn/haar uiterlijk tot uitdrukking -, wordt de term, tegenwoordig steeds meer gebruikt voor personen die ‘Indische roots’ hebben, d.w.z. tot tenminste enige tijd in de Indische archipel hebben doorgebracht. dat is dan inclusief de (blanke) Nederlanders die als kind of anderszins een substantieel deel van hun leven in Nederlands-Indie hebben doorgebracht (de zgn. totoks). Ook personen van Inlandse afkomst die na de dekolonisatie van Nederlands-Indie naar Nederland zijn getrokken, behoren hier uiteraard toe. Echter, de bevolkingsgroep is zeker niet synoniem met personen die in Nederlands-Indie zijn geboren.

    (Bron: De demografische geschiedenis van de Indische Nederlander. Door Gijs Beets e.a., 2002. Rapport NIDI (Ned. Interdisciplinair Demografisch Instituut)

    1. ‘Indische Nederlander’ heeft niets met personen “van Inlandse afkomst” te maken. Indische Nederlanders zijn personen die van Nederlandse/Europese afkomst zijn, of dat nu met gemengd is of niet, dus Indo’s en totoks. Hier veranderen Gijs Beets en anderen met hun geschiedvervalsing helemaal niets aan.

  13. Waar haalt David van Reybrouck het vandaan dat Indische Nederlanders “de huidige Nederlandse blik op de geschiedenis van Indonesië” bepalen? In welke wereld leeft deze Belg? Wat een bizarre uitspraak.

  14. Deze ‘docu’ is gemaakt door dezelfde producent als De Oost. Als we nog twijfelden over de intenties van deze jongens hebben we nu een voorproefje gekregen van die zogenaamde ‘multiperspectieve benadering’. Een dikke middelvinger naar de Indische gemeenschap en een keiharde aanval op onze geschiedenis. Bizar dat dit kan in Nederland.

  15. Onbegrijpelijk dat deze Belg zoveel lof oogst met dit soort broddelwerk. Hij begrijpt er helemaal niets van. Stuitend ook dat hij gewoon Indonesische oorlogsmisdadigers zo’n groot podium geeft enkel en alleen om zijn antikoloniale wereldbeeld op te dringen. En dat over de ruggen van onze ouders. Ik kan hier echt ontzettend boos om worden

  16. Vreemd om te zien dat hij de werkelijkheid geweld aandoet, evenzo de in ontwikkeling zijnde film De Oost.
    Wie is de eindverantwoordelijke hiervoor?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.