“Indische geschiedenis weggegumd”

OPINIE(5 februari 2021) – Nederland en Indonesië delen een complexe en tere geschiedenis. Een NTR-documentaireserie deed een duit in het zakje van de geschiedschrijving, maar misleidde de kijker, vindt Hans Moll, voorzitter Federatie Indische Nederlanders (FIN). “Niets over de Bersiap, de martelingen, de verkrachtingen, de moorden, de daders.”

Na de laatste aflevering van de driedelige documentaire ‘Revolutie in Indonesië‘ kunnen we vaststellen dat de NTR-serie vooral een anti-Nederlands/Indisch document is geworden. De serie gaat over de totstandkoming van het laatste boek van de Belgische schrijver David van Reybrouck, dat als hoofdonderwerp de dekolonisatie van voormalig Nederlands-Indië heeft. De serie gaat vrijwel volledig voorbij aan het geweld dat Indonesiërs in die periode pleegden tegen ongewapende mannen, vrouwen en kinderen – ook wel bekend als de Bersiap-periode – en het leed dat (Indische) Nederlanders toen is aangedaan. Dat is opmerkelijk, want dit Indonesische geweld was allesbepalend voor het verdere verloop van de dekolonisatie. De Bersiap was misschien wel de voornaamste reden om de Nederlandse Krijgsmacht grootschalig in te zetten in voormalig Nederlands-Indië.

Toch besteedt de maker nog geen veertig seconden van de serie, die in totaal 151 minuten duurt, aan de Bersiap; nog geen half procent van het totale materiaal. In die veertig seconden zegt Van Reybrouck niets over wat er tijdens de Bersiap is gebeurd, wie de daders waren, dat er werd gemarteld, verkracht en gemoord of hoeveel slachtoffers daarbij zijn gevallen. In Indonesië zelf wordt iedereen onkundig gehouden van deze misdaden tegen de menselijkheid, laat staan dat de Indonesische autoriteiten daarvoor spijt hebben betuigd of excuses aangeboden.

Van Reybrouck maakt slechts twee opmerkingen over de Bersiap. Eerst zegt hij (nadat de Indonesische oorlogsmisdadiger Hadisaputra aan het woord is gelaten, die op beeld toegeeft met bamboe roentjings te hebben gevochten, maar ook ontkent zelf ook maar iemand te hebben vermoord): ’In Indonesië noemen ze deze periode de revolutie. In Nederland staat ze bekend als de Bersiap-periode, een gewelddadige uitbarsting van extreme elementen, die hun woede koelen op alles dat Europees is. Nederland wil daar tegen optreden, maar is militair gesproken nog lamgeslagen en kan dat zelf niet’.

En na het relaas van een Nepalese Ghurka – de helden uit Nepal die veel (Indische) Nederlanders hebben gered – over jappenkamp Ambarawa, zegt de maker: ’Dan, op een dag na drie jaar ellende openen de Ghurka’s de poorten. Eindelijk verlossing. Maar die verlossing komt niet want buiten staan jeugdige Indonesische strijders, de pemoeda’s, met hun bamboewapens. Hun vulkaan van strijdlust, woede en hoop ligt al jaren te borrelen. Ze denken nu vrij te zijn, de komst van het Brits-Indiase leger heeft de hitte nog hoger doen oplaaien, en dan komen tot hun ontzetting kort daarna ook Nederlandse militairen aan land’.

Met deze minimale behandeling van de Bersiap zakt Van Reybrouck pijnlijk door het ijs. Met de gretigheid waarmee hij kritiekloos Japanse en Indonesische oorlogsmisdadigers een podium verschaft; met zijn bizarre bewering dat ’de huidige Nederlandse blik op de geschiedenis van Indonesië’ door Indische Nederlanders zouden worden bepaald en met zijn uitgesproken missie het perspectief over de dekolonisatie te willen doen ’kantelen’, krijgt Van Reybroucks handelwijze een buitengewoon bedenkelijke bijsmaak. De aandacht voor zijn boek blijkt helaas ten koste te moeten gaan van evenwichtige en onafhankelijke geschiedschrijving.

Hans Moll, voorzitter Federatie Indische Nederlanders (FIN)

Bron: De Telegraaf.

Tags: BersiapDavid van Reybrouck.