DEN HAAG (10 juni 2026) – Na meer dan tachtig jaar is het wrak van de Japanse Hofuku Maru, een van de beruchte zogenaamde hellships, gelokaliseerd voor de kust van de Filipijnen. Dat meldt De Telegraaf. Aan boord zouden circa 250 Nederlandse krijgsgevangenen uit voormalig Nederlands-Indië zijn geweest. Voor nabestaanden betekent de ontdekking van de laatste rustplaats van het schip het einde van een jarenlang durende onzekerheid over het lot van hun dierbaren.
De Hofuku Maru wordt op 21 september 1944 getroffen tijdens een Amerikaanse luchtaanval op een Japans konvooi dat onderweg is naar Taiwan. Aan boord bevinden zich dan ongeveer 1.250 geallieerde krijgsgevangenen, onder wie ruim duizend Britten en circa 250 Nederlanders. Slechts een klein aantal van hen overleeft de aanval. Het schip breekt in twee delen en zinkt naar de bodem van de zee.
Het wrak wordt recent teruggevonden door een particulier expeditieteam onder leiding van onderzoeker en televisiepresentator Josh Gates, in samenwerking met de Hellships Memorial Foundation. Het wrak ligt op ongeveer vijftig meter diepte en wordt beschouwd als oorlogsgraf.
De Hofuku Maru is een van de vele Japanse transportschepen die tijdens de Tweede Wereldoorlog worden gebruikt voor het vervoer van geallieerde krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden. Deze schepen staan bekend als hellships vanwege de mensonterende omstandigheden aan boord.
Krijgsgevangenen worden vaak opeengepakt in overvolle ruimen zonder voldoende voedsel, drinkwater, sanitaire voorzieningen of medische zorg. De schepen zijn bovendien niet gemarkeerd als krijgsgevangenentransporten, waardoor zij regelmatig doelwit worden van geallieerde aanvallen. Duizenden gevangenen komen hierdoor om het leven.
Ook honderden Nederlandse krijgsgevangenen uit voormalig Nederlands-Indië verliezen het leven tijdens deze transporten. Toch behoort de geschiedenis van de hellships nog altijd tot de minder bekende hoofdstukken van de oorlog in Azië.
De geschiedenis van de Hofuku Maru staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van de bredere tragedie die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog in voormalig Nederlands-Indië voltrekt.
Na de Japanse invasie van Nederlands-Indië in 1942 worden Europeanen, waaronder Indische Nederlanders, vaak krijgsgevangen gemaakt en afgevoerd naar werkkampen verspreid over Zuidoost-Azië en Japan. Vrouwen en kinderen worden geïnterneerd in burgerkampen.
In totaal komen tijdens de oorlog in Azië, zowel binnen als buiten de jappenkampen, zeker 25.000 (Indische) Nederlanders in gevangenschap om het leven. (Krijgs)gevangenen worden ingezet als dwangarbeiders, bijvoorbeeld aan de beruchte Dodenspoorwegen, of in (oorlogs)fabrieken en mijnen diep in Japan, maar ook als zogenaamde Troostmeisjes. Hoeveel doden er onder de Buitenkampers vallen is onduidelijk. Ook het aantal doden onder de inheemse bevolking is onbekend.
Voor Nederlanders in voormalig Nederlands-Indië betekent de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 bovendien niet het einde van oorlog en geweld. Gedurende de daaropvolgende Bersiap worden naar schatting 5.000 tot 30.000 (Indische) Nederlanders, vanwege hun Nederlandse en Europese afkomst, door Indonesiërs op gruwelijke wijze gemarteld, verkracht en vermoord. Het exacte aantal Nederlandse (burger)slachtoffers dat tijdens de Bersiap is gevallen is tot op de dag van vandaag onduidelijk. De schattingen variëren tussen de 5.000 en 30.000 doden en 15.000 vermisten.
Lees verder bij De Telegraaf