ARNHEM (23 augustus 2026) – Nederlandse nabestaanden reageren onthutst op de aanwezigheid van de Japanse ambassadeur bij de jaarlijkse herdenking van de slachtoffers van de Birma-Siam- en Pakan Baroe-spoorwegen in Arnhem. Gisteren legde ambassadeur Rokuichiro Michii daar voor het eerst in 59 jaar een krans bij het monument. Sindsdien regent het klachten bij Federatie Indische Nederlanders (FIN). De woede richt zich vooral op een klein clubje radicale bestuurders dat zich onaantastbaar waant en zonder enig mandaat nabestaanden ‘verzoening’ met Japan door de strot probeert te duwen.
Aan de beruchte Dodenspoorwegen stierven tijdens de Tweede Wereldoorlog tienduizenden Europese krijgsgevangenen en Aziatische dwangarbeiders door honger, ziekte, uitputting en mishandeling. Onder hen waren zeker 3.000 Nederlanders. Dat de Stichting Herdenking Birma-Siam Spoorweg en Pakan Baroe Spoorweg (SHBSS) dit jaar de Japanse ambassadeur uitnodigde, kwam voor veel nabestaanden dan ook als een complete verrassing. Volgens voorzitter Wouter Neuhaus bestaat binnen „de gemeenschappen behoefte aan verzoening en dialoog”. Dat is extra opmerkelijk, omdat het bestuur de Japanse aanwezigheid in e-mailcorrespondentie met nabestaanden die FIN heeft ingezien vooraf nog glashard ontkende.
Opvallend is vooral hoe nadrukkelijk het bestuur de inmiddels 102-jarige Ed van de Logt opvoert als legitimatie voor zijn besluit. Van de Logt is de laatste nog levende Nederlander die als dwangarbeider aan de Birma-Siam-spoorweg werkte. Ook tegenover de NOS zegt hij voorstander te zijn van de Japanse aanwezigheid. Daarmee vertolkt Van de Logt een gevoel dat door slachtoffers en hun nabestaanden bepaald niet breed wordt gedeeld. Dat de laatst overlevende op zijn oude dag door het bestuur van de herdenking als moreel schild voor een omstreden verzoeningsagenda wordt ingezet, is stuitend zo vinden nabestaanden.
Bredere ontwikkeling
De ontwikkelingen in Arnhem staan overigens niet op zichzelf. Ook rond andere Indië-gerelateerde herdenkingen is de afgelopen jaren eenzelfde raadselachtige drang naar ‘verzoening’ zichtbaar. Zo kreeg de Indonesische ambassadeur in 2022 tot grote ontzetting van slachtoffers en nabestaanden een prominente plek tijdens de Nationale Indiëherdenking. In het verlengde daarvan pleitte de nieuwe voorzitter van die herdenking, Paul Doop, dit jaar zelfs voor verzoening met Japan. Doop sloot de toekomstige aanwezigheid van de Japanse ambassadeur bij de herdenking niet langer uit.
Dat laatste ligt zeer gevoelig, omdat de Japanse keizer nooit excuses heeft aangeboden aan de Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetting. Tijdens zijn staatsbezoek stond Naruhito wel stil bij het blijvende oorlogsleed, maar daadwerkelijke excuses bleven opnieuw uit. Bovendien wordt de rol van Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog in Japan, onder andere in het onderwijs en geschiedenisboeken, beperkt behandeld, weggelaten en gebagatelliseerd. Tegen die achtergrond is het bijzonder hoe juist van Nederlandse slachtoffers en nabestaanden wordt verwacht dat zij eenzijdig een stap richting verzoening zetten.
Kleine kring gelijkgestemden
Opvallend is dat de verzoeningsdrang telkens uit de koker van dezelfde kleine bestuurlijke kring lijkt te komen. Organisatorisch lopen de lijnen ook opvallend door elkaar. Zo zijn SHBSS-bestuursleden Lars Bannink en Bo Polman ook betrokken bij Jong1508. Dat jongerennetwerk valt rechtstreeks onder de bestuursportefeuille van Tenny Tenzer, bestuurslid van de Nationale Herdenking 15 augustus 1945. Dat netwerk onderhoudt inmiddels rechtstreeks contact met de Japanse ambassadeur en werd recentelijk zelfs op diens residentie ontvangen.
Steeds weer duikt hetzelfde radicale clubje gelijkgestemden op in verschillende besturen en organisaties: men spreekt elkaar, danst om elkaar heen, bevestigt elkaars gelijk en concludeert vervolgens namens slachtoffers dat het tijd is voor ‘verzoening’. Wie precies is geraadpleegd, hoeveel slachtoffers en nabestaanden daarbij zijn betrokken en welk mandaat deze bestuurders eigenlijk hebben om namens hen zulke verstrekkende conclusies te trekken, blijft volstrekt onduidelijk.
De klachten die FIN nu ontvangt, laten in ieder geval zien dat veel nabestaanden van Nederlandse slachtoffers zich absoluut niet in deze bizarre koers kunnen vinden.
Witte discussie
Het Nederlandse perspectief lijkt bij Indië-gerelateerde herdenkingen sowieso steeds meer naar de achtergrond te verdwijnen. En dat is opmerkelijk, want Indische Nederlanders zijn in Nederland bij uitstek de grootste slachtoffergroep uit voormalig Nederlands-Indië. Toch werd de afgelopen jaren de nationale Indiëherdenking sterk verindonesiseerd. Zo werd het Van Heutsz-regiment geschrapt en kreeg de Indonesische ambassadeur een prominente plek tijdens de officiële ceremonie. Ook de Nationale Dodenherdenking werd niet gespaard. In 2022 werden daar Indonesiërs als slachtoffers toegevoegd aan het officiële herdenkingsmemorandum.
Toen daar grote commotie over ontstond zette de van oorsprong Molukse en toenmalig Pelita-directeur Rocky Tuhuteru die weg als een „witte Nederlandse discussie”. Hij vond bovendien dat er discussie moest worden gevoerd over het herdenken van Duitsers en Japanners op 4 mei.
Vier jaar later lijkt die bestuurlijke mentaliteit steeds meer de norm. Herdenkingen worden stukje bij beetje afgebroken, terwijl bestuurders spreken over „verbinding”, „dialoog” en „verzoening”. Nederlandse slachtoffers en nabestaanden worden geacht daarover vooral Indisch te zwijgen.
Het zou te simpel zijn deze ontwikkeling uitsluitend toe te schrijven aan de niet-Indische/niet-Nederlandse achtergrond van sommige betrokken bestuurders. Ook Nederlandse bestuurders doen er immers doodleuk aan mee. Niet afkomst, maar ideologie lijkt de verbindende factor: historische tegenstellingen moeten worden gladgestreken, daders en slachtoffers dichter bij elkaar worden gebracht en alles moet wijken voor ‘verbinding’ en ‘verzoening’. Wie daar als nabestaande niet in meegaat, wordt als lastig weggezet.
Tweede Wereldoorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden in voormalig Nederlands-Indië ruim 42.000 Nederlandse militairen door Japan krijgsgevangen gemaakt en ongeveer 100.000 Nederlanders geïnterneerd. Krijgsgevangenen worden ingezet als dwangarbeiders, onder meer aan de beruchte Dodenspoorwegen en vervoerd op de zogenaamde hellships. Vrouwen en meisjes lopen het risico om door de Japanners als seksslavinnen, eufemistisch aangeduid als troostmeisjes, aan het werk te worden gezet.
In totaal zouden er tijdens de Tweede Wereldoorlog in Azië naar schatting 25.000 (Indische) Nederlanders in gevangenschap om het leven komen. Hoeveel doden er onder de Buitenkampers vallen is geheel onduidelijk. Ook het aantal doden onder de inheemse bevolking is onbekend. Tijdens de daaropvolgende Bersiap worden nog eens 5.000 tot 30.000 Nederlanders door Indonesiërs vermoord.
Door het geweld en vervolging moesten Indische Nederlanders het voorheen Nederlands overzeese grondgebied gedwongen en soms ook halsoverkop verlaten. Sedertdien leven zij in diaspora. Zo’n 300.000 (Indische) Nederlanders repatrieerden naar hun vaderland. Vandaag de dag leven er naar schatting zo’n 1,5 tot 2 miljoen Indische Nederlanders in Nederland.